1. Focus op de meest gebruikte woorden
De 1000 meest gebruikte Spaanse woorden vormen het grootste deel van dagelijkse gesprekken. Begin daar.
Geen vreemdde woorden, maar woorden die je écht gebruikt:
-
querer
-
tener
-
ir
-
hacer
-
poder
-
decir
2. Leer in zinnen, niet in losse woorden
In plaats van alleen “comer = eten” te leren, leer je:
-
Quiero comer.
-
Vamos a comer.
-
¿Qué quieres comer?
Zo leer je direct hoe woorden functioneren.
3. Spreek vanaf dag 1
Perfectie is niet het doel — communicatie is het doel.
Hoe eerder je begint met spreken, hoe sneller je brein zich aanpast aan de taal.
4. Herhaling is cruciaal
Herhaling zorgt voor automatisering. Gebruik korte dagelijkse sessies waarin je:
-
Hardop leest
-
Zinnen herhaalt
-
Kleine gesprekken oefent
5. Bouw grammatica geleidelijk op
Je hoeft niet alle tijden tegelijk te leren.
Begin met:
-
Tegenwoordige tijd
-
Verleden tijd (pretérito perfecto of indefinido)
-
Toekomende constructies zoals “ir a + infinitief”
Meer heb je in de eerste 3 maanden niet nodig.